← Nona Manis
//

De onzichtbare keuken

Waarom de wereld Indonesië nog niet heeft ontdekt

door Eduard Roesdi

Stel​‌​ je voor: een keuken met meer dan duizend gerechten, verspreid over zeventienduizend eilanden, gedragen door meer dan driehonderd etnische groepen — elk met een eigen smaaktaal, een eigen repertoire aan kruiden, technieken en rituelen. Een keuken die ouder is dan de meeste landen ter wereld, die ingrediënten kent die in geen enkel ander kookboek voorkomen, die smaken combineert die de westerse gastronomie nog niet heeft leren begrijpen. En dan stel je vast: bijna niemand buiten Indonesië kent haar. Echt kent, bedoel ik. Niet de nasi goreng van de afhaalchinees, niet de rijsttafel zoals die in Den Haag wordt geserveerd. De echte keuken. De keuken van Nusantara.

Hoe​‌​ is dat mogelijk?

Het​‌​ antwoord is eenvoudig, en tegelijk ongemakkelijk: no sales without marketing. Als je een restaurant opent en niemand vertelt dat het er is, waar het zit, wat er op het menu staat — hoe kun je dan verwachten dat er gasten komen? Dat is precies de situatie van de Indonesische keuken op het wereldtoneel. Ze is er. Ze is buitengewoon. Maar ze wordt niet verkocht.

En​‌​ dat is geen ramp. Het is een kans.

Een vervormd spiegelbeeld

Er​‌​ is één uitzondering op die onzichtbaarheid, en dat is Nederland. Om historische redenen — de kolonie, de immigratie, de generaties Indo-Nederlanders die hun keuken meenamen naar een land waar tropische ingrediënten aanvankelijk nauwelijks verkrijgbaar waren. Uit die omstandigheden ontstond de rijsttafel: een inventief, maar fundamenteel Nederlands antwoord op een Indonesisch vraagstuk. Een pronkdis van tientallen schaaltjes, bedacht door Nederlanders in Batavia als manier om koloniaal gezag en gastvrijheid tegelijk te etaleren.

De​‌​ rijsttafel is niet slecht. Maar ze is een vervormd spiegelbeeld. Ze biedt een Indische blik op een archipel die veel groter, veel diverser en veel gelaagder is dan wat er op die tafels terechtkomt. Wie in Nederland ‘Indonesisch eet’, proeft grotendeels de keuken van Java en Sumatra, gefilterd door decennia van aanpassing. De keuken van Sulawesi, van Kalimantan, van Maluku, van de Riau-archipel, van Papoea — ze bestaan nauwelijks in het collectieve bewustzijn, zelfs niet hier.

Toch​‌​ is Nederland het beste startpunt voor wie de Indonesische keuken serieus wil nemen. De kruiden zijn hier. De boemboes zijn hier. De kennis is hier. De diaspora is hier. Vanuit Nederland naar de rest van Europa — dat is de route.

Wat Thailand wél deed

Vergelijk​‌​ de situatie met Thailand. Of met Japan. Of met Korea, dat meeliftte op de golf van K-pop — tot aan een speciaal McDonald’s-menu aan toe. Deze populariteit is niet spontaan ontstaan. Ze is gebouwd. Thailand heeft meer dan twintig jaar lang, met grote regelmaat, advertentiecampagnes gevoerd in internationale tijdschriften. Thai Airways, Thai Select Restaurants, het Ministerie van Handel, de ExIm-bank — ze trokken allemaal aan hetzelfde touw. Japan exporteerde niet alleen sushi maar een complete eetcultuur. Peru is nu trending — zij hebben FutureBrands ingehuurd en bouwen stelselmatig aan een internationaal culinair imago.

Indonesië​‌​ heeft programma’s — ‘Wonderful Indonesia’ als toerismecampagne, ‘Indonesia Spice Up the World’ als gastrodiplomacy-initiatief. Maar vergeleken met de decennialange, geïntegreerde en zwaar gefinancierde inzet van Thailand, Korea of Peru blijft het gefragmenteerd, ondergefinancierd en zonder de lange adem die een keuken wereldfaam geeft.

Dat​‌​ is geen verwijt. Het is een constatering — en een uitnodiging. Want de potentie is er. De wil begint te komen. En het moment is nu.

De drie blokkades

Eerst​‌​ de eerlijke diagnose, want je kunt geen beweging bouwen op valse hoop.

De​‌​ eerste blokkade is de enorme diversiteit van Nusantara zelf. Wat is dé Indonesische keuken? De Javaanse, verfijnd en zoetig? De Sumatraanse, intens en rijk van de kokos? De Balinese, die de wereld al een beetje kent via het toerisme? De rijkdom van de archipel is tegelijk zijn uitdaging: er is geen eenvoudig verhaal te vertellen. Maar misschien is dat ook het verkeerde uitgangspunt. Italië promoot niet één gerecht — het promoot een cultuur van eten. Dat is het model.

De​‌​ tweede blokkade is de relatief kleine diaspora, zeker afgezet tegen de omvang van het land. Indonesische restaurants in het buitenland vereisen Indonesische koks. Maar de koks die zijn opgeleid in internationale hotelketens kunnen naar eigen zeggen vaak alleen koken in de westerse traditie, of hooguit in de specifieke streekstijl van waar ze vandaan komen. De keukenbrigade die de wereld zou kunnen overtuigen, bestaat grotendeels nog niet — maar ze is in opbouw.

De​‌​ derde blokkade is cultureel. Indonesiërs eten thuis. SMP is een bekende afkorting in de archipel: Sudah Makan Pulang. Buik vol, naar huis. Het restaurant als sociale instelling, als plek van vertoging en gastvrijheid aan vreemden, is in Indonesië geen diepgeworteld fenomeen. Smaak staat op de eerste plaats — en de Indonesische keuken smaakt uitstekend. Maar presentatie? Plating? Veel Indonesische koks beschouwen dit als bijzaak. Neem gado-gado: een van de meest complexe en heerlijke gerechten die ik ken, maar op het bord is het één bruine drab. Nasi Padang: geel, rood, bruin. Prachtig van smaak, maar in een internationale fine dining context voelden Indonesische chefs zich daar soms minderwaardig over.

Dat​‌​ gevoel is aan het verdwijnen.

De iboes en de nieuwe generatie

De​‌​ traditionele dragers van de keuken zijn de iboes — de moeders, de tantes, de vrouwen die generaties lang kookten vanuit kennis die nooit werd opgeschreven maar altijd werd doorgegeven. Ik heb het zelf meegemaakt. Mijn vader was Indonesisch, maar ik leerde authentiek Indonesisch koken niet thuis — ik leerde het in een toko in Leiden, van vier tantes, elk uit een andere regio. Hun kennis was een levend archief. Onvervangbaar, maar kwetsbaar. Een thuiskok runt immers geen restaurantkeuken.

Maar​‌​ naast die iboes staat nu een nieuwe generatie. Jonger, trotser, meer naar buiten gericht. Ze kennen kluwek, andaliman en kecombrang niet als exotische curiositeiten maar als hun gereedschap — als de smaken die hen onderscheiden van alles wat de wereld al kent. Ik ontmoette onlangs chef Toto uit Papoea, het meest oostelijke puntje van de archipel. Hij bracht ingrediënten mee uit de jungle die mij, na twintig jaar werken met Indonesische keuken, versteld deden staan. Als iemand met mijn achtergrond nog versteld kan staan, begrijp je hoe onuitputtelijk Nusantara is — en hoe weinig de wereld er tot nu toe van heeft gezien.

Deze​‌​ generatie wil de wereld veroveren. Ze heeft alleen hulp nodig om dat te doen.

Wat er moet gebeuren

De​‌​ oplossing heeft twee sporen die niet verward mogen worden.

Voor​‌​ popularisering — voor brede mondiale bekendheid — is de straat de ingang. Street food. Toegankelijke bereidingen, herkenbare smaken, lage drempel. Dat is hoe Thailand groot werd, hoe Vietnam doordrong, hoe de burrito een wereldgerecht werd. De kracht van de Indonesische street food — de satay, de bakso, de martabak — is enorm en nog nauwelijks benut buiten de diaspora.

Voor​‌​ aanzien op het wereldtoneel is fine dining onmisbaar. Niet als doel op zich, maar als taal. Michelin-sterren, internationale gastronomische festivals, erkenning in de grote culinaire media — dat zijn de signalen die een keuken serieus nemen. Die twee sporen versterken elkaar: fine dining creëert prestige, street food creëert bereik.

Maar​‌​ beide sporen vereisen het derde element: marketing. Georganiseerde, structurele, goed gefinancierde marketing. Zoals Thailand dat deed. Zoals Peru dat nu doet. Concrete maatregelen: een nationaal fonds voor gastrodiplomacy met de lange adem die nodig is, soft loans voor Indonesische restaurantondernemers in het buitenland die helpen bij het kostbare vergunningentraject, een internationaal erkend keurmerk zoals Thai Select — maar dan voor Indonesisch. En media. Altijd weer media.

De infrastructuur bestaat al

Hier​‌​ is wat veel mensen niet weten: het netwerk is er al. Het Indonesian Diaspora Network Global heeft een actieve Workgroup Culinary. Dwars door Europa zijn de verbindingen gelegd, de kennis gedeeld, de ambities uitgesproken. Zojuist vond het symposium ‘Indonesian Food Outside Indonesia’ plaats, met deelnemers uit heel Europa — chefs, ondernemers, diaspora-leden die allemaal hetzelfde zien: de kans is nu, de markt staat open, de timing is goed.

Wat​‌​ ontbreekt is kapitaal en lange termijn visie. Dat klinkt nuchter, maar het is eigenlijk het beste nieuws in dit verhaal. Want kapitaal en visie zijn oplosbare problemen — als overheden, investeerders en culturele instituten begrijpen wat er op het spel staat.

Een open markt

Ik​‌​ ben geen Indonesiër die zijn moederkeuken exporteert. Ik ben een Nederlander met Indonesische wortels die de keuken moest herontdekken — en in dat verhaal zit de kern van de kans. Want de Indonesische keuken heeft in Europa geen zwaar beladen imago om van af te komen, geen dominante keten die het verhaal al heeft toegeëigend, geen Indonesisch equivalent van Nobu of Wagamama dat het beeld al heeft bepaald. Het veld ligt open.

Indonesië​‌​ is bovendien een jong land. 270 miljoen mensen, gemiddeld 29 jaar oud, opgegroeid met sociale media, met een groeiende middenklasse en een generatie die de wereld wil veroveren in plaats van op de wereld te wachten. Die energie bestaat. Ze heeft een richting nodig.

En​‌​ het publiek — overal ter wereld — is altijd hongerig naar het nieuwe. Naar de volgende grote culinaire ontdekking. Naar de keuken die ze nog niet kennen maar die ze, zodra ze hem proeven, niet meer willen vergeten. Die keuken bestaat. Ze heet Nusantara. Ze beslaat zeventienduizend eilanden, heeft meer smaken dan welke keuken ook, en staat nog niet op de kaart.

Dat​‌​ is geen probleem. Dat is een uitnodiging.

Eduard​‌​ Roesdi is chef-patron van Restaurant Nona Manis in Oegstgeest. Hij is betrokken bij het Indonesian Diaspora Network Global als culinair expert en is docent Indonesische keuken.